Algemeen wordt aanvaard dat de kwaliteit van het onderwijs en het opleidingspeil van de docenten sterk met elkaar correleren, meer dan onderwijssystemen of salarispeil. Het initiatief voor de NiME masters van de werkgevers in het VO kan gezien worden als een anticiperen op deze toenemende druk op de sector om de kwaliteit van het docentencorps te verhogen. Tegelijkertijd is het ook juist om vraagtekens te zetten bij de initiële opleiding van docenten. Op dit moment is het rendement van met name de HBO lerarenopleiding zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin veel te gering. Slechts een laag percentage bereikt het docentschap (minder dan 50%) en in de eerste jaren van de loopbaan verlaten weer velen het onderwijs. De begeleiding van startende docenten heeft zich in de laatste decennia sterk ontwikkeld, maar heeft desondanks een gering effect. De moeizaamheid om vele en goede docenten naar het onderwijs te leiden geeft aanleiding om nog eens kritisch naar het gehele professionaliseringstraject te kijken.
Het succes of effect van de NiME masters is afhankelijk van de inpassing van deze masteropleidingen in het gehele traject van professionalisering, inclusief het initiële gedeelte ervan, de koppeling aan de functiewaardering en de noodzakelijke omslag in de scholen van uitvoerings- naar onwikkelorganisatie.
Hieronder wordt gepleit voor een nieuwe professionaliseringsroute voor VO docenten, waarbinnen de NiME masters een belangrijke plek hebben. De route leidt tot een aanmerkelijke kwaliteitsimpuls in het VO, mits ook de schoolorganisatie en het leiderschap daarbij worden aangepast. Hoewel dit hoofdstuk geschreven is vanuit het perspectief van het VO (liever: vanaf de leeftijd van ongeveer 10 jaar), zijn, met enige aanpassingen, zeer vergelijkbare en deels overlappende routes te ontwerpen voor het PO en het MBO.
1. Een nieuwe professionaliseringsroute voor VO-docenten
Eisen t.a.v. de vooropleiding
Er zijn drie manieren om het opleidingsniveau van docenten te verhogen en te waarborgen. In de eerste plaats betekent dat eisen aan de vooropleiding te stellen, in de tweede plaats een hoog niveau van de initiële opleiding en op de derde plaats hoge eisen aan de nascholing van docenten. Het aanvangsniveau bij een initiële opleiding zou in het algemeen gesteld het vwo niveau moeten zijn. Of, van achter naar voor geredeneerd: een startbekwaam docent dient inhoudelijk het academisch bachelorniveau te bezitten. Dat kan uiteraard ook via een HBO opleiding met een aanvulling. Daarnaast wordt startbekwaamheid ook vastgesteld aan de hand van een assessment, waarbij de basale didactische bekwaamheden getoetst worden. De voorbereiding op dit assessment kan bijvoorbeeld gaan via een keuzemodule in de bacheloropleiding, maar kan ook op andere wijze verlopen.
Initiële opleiding tot startbekwaam docent
Vanaf de zeventiger jaren van de vorige eeuw is een steeds zwaarder accent gelegd in de initiële opleiding op het verwerven van didactische vaardigheden. Er moeten echter grote vraagtekens geplaatst worden bij het effect van didactische scholing in de eerste jaren van de initiële opleiding. Er zijn voldoende mogelijkheden om in een curriculum voor het bachelors examen elementen in te bouwen waarbij tegelijkertijd met de verwerving van vakinhoud ook didactische bekwaamheden in de peergroep verworven en getest worden.
Het begin van de initiële opleiding moet dus vooral weer een vakinhoudelijke opleiding worden. Een beperkt bijvak kan de student voorbereiden op het didactisch assessment dat naast het bachelors diploma vereist is voor de startbekwaamheid als docent. Omdat die didactische bekwaamheid grote verschillen kent tussen individuen, zal de voorbereiding op het didactisch assessment ook vele wegen moeten kennen.
Leerwerktraject tot bekwaam docent
Het beroep van docent is bij uitstek geschikt voor duale opleidingstrajecten. De meeste docenten hebben de ervaring dat ze geweldig veel hebben bijgeleerd door het vak te beoefenen. Het effect van leren aan de praktijk kan aanmerkelijk verhoogd worden wanneer de praktijk deel uitmaakt van een opleiding. De opleiding tot bekwaam docent duurt ongeveer twee jaar. Ongeveer 500 klokuren staat de docent voor de klas en volgt daarbij een opleiding aan hogeschool of universiteit van eveneens 500 klokuren op jaarbasis. Die opleiding bestaat uit een inhoudelijk gedeelte waarbij één of meerdere schoolvakken op hoog niveau worden gebracht. Daarnaast vindt er scholing op vakdidactisch en didactisch terrein plaats op de school o.l.v. masterdocenten (zie verder).
Individueel traject tot topdocent
Na het leerwerktraject krijgt de docent een aanstelling als bekwaam docent (met schaal Lb). Nu start een periode waarin de docent op weg gaat naar het topdocent niveau. Dat traject is een individueel traject waarbij opleidingen gevolgd worden in het Hoger Onderwijs voor ongeveer een dagdeel per week (overeenkomend met de huidige 10% deskundigheidsbevorderingtijd). Die opleidingen kunnen op het gebied van de vakdidactiek liggen, het vak zelf of bijvoorbeeld op het gebied van de leerlingenzorg.
Dit traject duurt drie tot zes jaar en omvat ongeveer 500 tot 1000 klokuren aan (erkende) opleidingen. Eén mogelijkheid is het verkrijgen van een bevoegdheid voor de bovenbouw havo/vwo. De docent wordt na een assessment (met portfolio-beoordeling) bevorderd tot topdocent. Deze topdocent (Lc en Ld) kan in de bovenbouw Havo/Vwo lesgeven of in de onderbouw of in het vmbo. In principe kiest de docent zelf de modules of opleidingen voor zijn portfolio, maar de schoolleiding kan, met het oog op een meerjarig personeelsplan, sturen in de keuzes. De opleidingen en modules in dit traject zijn alle geaccrediteerde opleidingen of gedeelten daarvan en worden voor het grootste gedeelte door de overheid gefinancierd.
Educatief meesterschap
Iedere docent legt in principe de weg af naar topdocent. Het is zowel een recht als een plicht om deze weg te gaan. Voor de masteropleiding Educatief Meesterschap moet de docent geselecteerd worden door zijn werkgever. De opleiding is alleen toegankelijk voor zeer goede topdocenten die in staat geacht worden om leiding te geven aan onderzoek en ontwikkeling van het onderwijs vanuit de vakdidactiek. De NiME masters dus, met een professionele en een academische variant.
Het is een (openbaar) kwaliteitskenmerk van de school hoe de verdeling van het docentencorps is over de categorieën startbekwaam, bekwaam, topdocent en educatieve meesters (Ld en Le). Het HRM beleid van de school is gericht om binnen de financiële mogelijkheden van de school een optimale verdeling te bewerkstellingen.
De Educatieve Meesters spelen verschillende rollen binnen en buiten de school. Binnen de school zijn zij leidend bij onderwijsontwikkeling. Zij leiden onderzoeken in de school naar de effectiviteit van werkwijzen. Zij inspireren hun collega’s tot verbeteringen en innovaties. En zij leiden startbekwame collega’s op tot het niveau van bekwaam docent.
De gemeenschap van meesters
De Educatieve Meesters spelen ook buiten de school een rol. Niet alleen ontsluiten zij wetenschappelijk onderzoek dat elders verricht is en bruikbaar is voor de ontwikkelingen op hun school, maar zij dragen ook via kenniskringen bij aan de kennisvermeerdering. Zij presenteren op conferenties, publiceren in vaktijdschriften en dragen bij aan overheidsbeleid en regelgeving op hun vakgebied. Educatieve meesters uit montessorischolen, daltonscholen of jenaplanscholen vormen kenniskringen die de identiteit van die scholen ondersteunen via onderzoek en scholing. Ook dragen de Educatieve Meesters bij aan de kwaliteit van de opleidingen.
Op deze wijze leveren de masters ook een belangrijke bijdrage aan het dichten van de veelbenoemde kloof tussen wetenschap en praktijk in het onderwijs.
De koppeling van professionalisering en functiebouwwerk
De buitengewoon moeizame Lc operatie in de afgelopen jaren in het VO heeft laten zien dat het beloningssysteem in het onderwijs erg ambigue is. Mede door het klakkeloos invoeren van het functiewaarderingssysteem VO los van het professionaliseringsbeleid heeft de Lc operatie niet wezenlijk bijgedragen aan de kwaliteitsverhoging van het personeel. Daarnaast kan gesteld worden dat een professionaliseringssysteem dat louter op de wet BIO berust en niet gekoppeld is aan een functiewaardering gedoemd is om te mislukken.
Hierboven is een simpele en doeltreffende koppeling tussen beide systemen gemaakt. Door de professionaliseringsroute te markeren met heldere beoordelingsmomenten en –criteria wordt de beloningssystematiek veel directer gekoppeld aan de performance van de docent. Bovendien wordt ook duidelijk dat hogere beloningsschalen mogelijk zijn in de onderbouw en het vmbo, waardoor ook daar de noodzakelijke professionalisering zal plaatsvinden.
2. Van uitvoerings- naar ontwikkelorganisatie
Bovenstaand model van ontwikkeling van het docentschap betekent dat de school een plaats wordt waar continu geleerd en ontwikkeld wordt. Dat betekent een belangrijke verandering van uitvoeringsorganisatie naar ontwikkelorganisatie voor de school. Op dit moment wordt de arbeidsorganisatie op scholen vooral gekenmerkt door inflexibiliteit in personeelsbeleid, organisatie, functiebouwwerk, roosters en werktijden. Het vraagt om nieuw leiderschap om schoolorganisaties opnieuw in te richten, zodanig dat onderzoek, ontwikkeling, opleiding en de praktijk organisch gekoppeld worden.
3. De nieuwe schoolleiders
De nieuwe professionele schoolorganisatie kan alleen geleid worden door zeer deskundige schoolleiders, die het leiderschap breed in de organisatie weten te organiseren en te beleggen. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het management (het facilitair flankerend beleid in de school) en het (inhoudelijk) leiderschap dat het primaire proces en de professional stuurt. Het primaat moet bij het laatste liggen. Professionals moeten worden aangestuurd, geïnspireerd door inhoudelijk deskundigen.
In de opleiding tot topdocent zitten (verplicht) ook modules over schoolorganisatie en leiderschap. Daardoor wordt het mogelijk om het leiderschap breder in de organisatie te beleggen (shared leadership), kenmerkend voor een echt professionele organisatie. Alleen topdocenten en Educatieve Meesters komen in aanmerking voor het schoolleiderschap. Ook hierbij geldt dat verdere professionalisering tot topniveau en meesterschap vanzelfsprekend zijn via aanvullende duale opleidingstrajecten. Die leiden naar professionele Masters in Educational Leadership.
De toekomst is gisteren begonnen
Verschillende ontwikkelingen n de richting van bovenstaand professionaliseringsmodel zijn al gestart. De universiteiten gaan al bachelors voorbereiden op een baan in het onderwijs, er is al ruime ervaring met opleiden in de school, er is een ruim aanbod van nascholingstrajecten en de NiME masters zijn van start gegaan. In feite kunnen een aantal van die ontwikkelingen gekoppeld worden in een nieuw HRM beleid. De grootste ommezwaai wordt verwacht van de HBO lerarenopleidingen, maar door de samenwerkingsverbanden met de opleidingsscholen kan misschien ook deze hobbel zonder gewijzigd overheidsbeleid genomen worden.
De financiering van dit nieuwe stelsel hoeft niet een al te groot probleem te zijn. De toegezegde gelden in de komende jaren voor de opwaardering van het functiebouwwerk zouden hier goed besteed kunnen worden, beter dan bij de mislukte Lc operatie van enkele jaren geleden.
Er ligt een wenkend perspectief voor de sector!
Ben van der Hilst, Centrum voor Nascholing Amsterdam, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.


Hersteloperatie